|
Tao Te King von Lao Tse |
Chris Nap (?) http://www.xs4all.nl/~chrisnap/taoteching_index.htm Home | Index |
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 |
| 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
| 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 |
| 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 |
| 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 |
| 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 |
| 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 |
| 64 | 65 | 66 | 67 | 68 | 69 | 70 | 71 | 72 |
| 73 | 74 | 75 | 76 | 77 | 78 | 79 | 80 | 81 |
1
Wat de Weg betreft, de Weg waarover gesproken kan worden is niet de eeuwige Weg;
Wat namen betreft, de naam die genoemd kan worden is niet de eeuwige naam.
Het naamloze is het begin van de tienduizend dingen;
Het genoemde is de moeder van de tienduizend dingen.
Daarom zullen zij die eeuwig zonder begeerte zijn, op deze manier zijn fijnzinnigheid waarnemen.
Zij die eeuwig met begeerten zijn zullen op deze manier slechts dat zien waar ze naar verlangen en streven.
Deze twee verschijnen tezamen;
Zij hebben verschillende namen, toch worden zij hetzelfde genoemd;
Dat wat nog dieper is dan het diepe –
De poort van alle fijnzinnigheden.
2
Wanneer iedereen in de wereld het prachtige als prachtig kent, ontstaat lelijkheid;
Wanneer iedereen het goede kent, ontstaat het niet-goede.
De wederzijdse voortbrenging van zijn en niet zijn,
De wederzijdse vervolmaking van moeilijk en gemakkelijk,
De wederzijdse vorming van lang en kort,
De wederzijdse aanvulling van hoog en laag,
De wederzijdse harmonie van toon en stem,
De wederzijdse opvolging van voor en achter –
Dit zijn allemaal constanten.
Daarom woont de Wijze in niet-handelende omstandigheden en beoefent hij het woordeloze onderwijs.
De tienduizend dingen komen te voorschijn maar hij begint ze niet;
Hij handelt namens hen, maar maakt ze niet afhankelijk;
Hij volbrengt zijn taken, maar hij blijft er niet bij stilstaan;
Het is slechts doordat hij er niet bij blijft stilstaan, dat zij hem niet verlaten.
3
Door de eerbiedwaardigen niet te verheffen, bewerkstellig je dat mensen niet zullen wedijveren.
Door geen waarde te hechten aan goederen die moeilijk te verkrijgen zijn, bewerkstellig je dat mensen niet als dieven zullen handelen.
Door het begeerlijke niet te tonen, bewerkstellig je dat mensen niet in verwarring raken.
Daarom, in de regering van de Wijze:
Ledigt hij hun geest,
En vult hij hun buik.
Zwakt hun ambities af,
En versterkt hun botten.
Hij veroorzaakt voortdurend dat de mensen zonder kennis en zonder begeerten zijn.
Als hij kan bewerkstelligen dat degenen met kennis eenvoudig niet durven handelen,
Dan is er niets dat niet in orde zal zijn.
4
De Weg is leeg;
Maar als je hem gebruikt, zul je hem nooit opnieuw hoeven te vullen.
Als een afgrond! Hij lijkt de stamvader te zijn van de tienduizend dingen.
Hij vijlt scherpe hoeken af;
Ontwart de knopen;
Tempert de schittering;
En laat het stof neerdalen.
Verdwenen! Hij schijnt wellicht te bestaan.
We weten niet wiens kind hij is;
Hij lijkt zelfs aan de Heer te zijn voorafgegaan.
5
Hemel en Aarde zijn niet menslievend;
Zij beschouwen de tienduizend dingen als strooien honden.
De Wijze is niet menslievend;
Hij beschouwt de gewone mensen als strooien honden.
De ruimte tussen Hemel en Aarde – is die niet als een blaasbalg?
Zij is leeg en toch niet ongevuld;
Beweeg haar en er komt steeds meer uit.
Veel leren betekent herhaaldelijk uitgeput zijn.
Dat is niet zo goed als vasthouden aan de middenweg.
6
De geest van het dal sterft nooit;
We noemen dit het mysterieuze vrouwelijke.
De poorten van het mysterieuze vrouwelijke –
Deze noemen we de wortels van Hemel en Aarde.
Verfijnd en toch onsterfelijk! Het schijnt te bestaan.
Door het te gebruiken raakt het niet uitgeput.
7
De Hemel duurt voort; de Aarde gaat lang mee.
De reden waarom Hemel en Aarde voortduren en lang meegaan –
Is dat zij niet voor zichzelf leven.
Daarom kunnen zij lang duren.
Daarom is het zo dat de Wijze:
Zichzelf op de achtergrond stelt en toch zichzelf op de voorgrond vindt;
Zelfbetrokkenheid uit zijn gedachten bant en toch zijn zelfbetrokkenheid gehandhaafd vindt.
Is het niet omdat hij geen eigenbelang heeft,
Dat hij daarom in staat is zijn eigenbelang te verwezenlijken?
8
Het hoogste goed is als water;
Water is goed ten behoeve van de tienduizend dingen en toch wedijvert het niet met hen.
Het verblijft op plaatsen waarvan het gewone volk een afkeer heeft,
Daarom staat het dicht bij de Weg.
Wat verblijven betreft, is het goede ding het land;
Wat de geest betreft, is het goede ding diepte;
Wat geven betreft, is het goede ding als de Hemel te zijn;
Wat spreken betreft, is het goede ding oprechtheid;
Wat regeren betreft, is het goede ding orde;
Wat aangelegenheden betreft, is het goede ding bekwaamheid;
Wat handelen betreft, is het goede ding het juiste moment.
Het is slechts omdat het niet wedijvert, dat het daarom zonder onvolkomenheid is.
9
Het rechtop houden en het vullen,
Is niet zo goed als op tijd stoppen.
Als je erop beukt en het een punt geeft,
Zal het niet erg lang behouden blijven.
Wanneer goud en jade je kamers vullen,
Zul je nooit in staat zijn deze te beschermen.
Verwaandheid en trots met rijkdom en status,
Brengen vanzelf onheil aan.
Wanneer de daad volbracht is trek je je terug;
Zo is de Weg van de Hemel!
10
Wat het voeden van de ziel en het omhelzen van het Ene betreft – kun je het doen zonder hen los te laten?
Wat het concentreren van je ademhaling en deze zachtmaken betreft – kun je haar maken als die van een kind?
Wat het veredelen en schoonmaken van je diepe spiegel betreft – kun je het zo doen dat er geen smet op rust?
Wat het volk liefhebben en het leven geven aan de staat betreft – kun je dat doen zonder kennis te gebruiken?
Wat het openen en sluiten van de hemelpoort betreft – kun je de rol spelen van het vrouwelijke?
Wat het begrijpen van alles binnen de vier windstreken betreft – kun je het doen zonder kennis te gebruiken?
Schenk hun het leven en voed hen.
Schenk hun het leven maar probeer hen niet te bezitten;
Help hen te groeien maar overheers hen niet.
Dit wordt Diepe Deugd genoemd.
11
Dertig spaken verenigen zich in één naaf;
Het is precies waar er niets is, dat we de bruikbaarheid van het wiel vinden.
We bakken klei en maken vaten;
Het is precies waar er geen substantie is, dat we de bruikbaarheid van aardewerken potten vinden.
We beitelen deuren en ramen uit;
Het is precies in deze lege ruimten, dat we de bruikbaarheid van de kamer vinden.
Daarom beschouwen we iets hebben als nuttig;
Maar niets hebben als bruikbaar.
12
De vijf kleuren veroorzaken dat iemands ogen blind worden.
Paardenrennen en de jacht veroorzaken dat iemands geest krankzinnig wordt.
Goederen die moeilijk te bemachtigen zijn, hinderen op iemands reizen.
De vijf smaken verwarren iemands gehemelte.
De vijf tonen veroorzaken dat iemands oren doof worden.
Daarom, in de regering van de Wijze:
Is hij voor de buik en niet voor de ogen.
Zo verwerpt hij dat en neemt hij dit.
13
‘Bekijk gunst en ongenade met vrees.’
‘Eerbiedig groot leed zoals jezelf.’
Wat bedoel ik als ik zeg: ‘Bekijk gunst en ongenade met vrees.’?
Gunst is laag.
Als je het krijgt – wees gewaarschuwd!
Als je het verliest – wees gewaarschuwd!
Dat is wat ik bedoel als ik zeg: ‘Bekijk gunst en ongenade met vrees.’
Wat bedoel ik als ik zeg: ‘Eerbiedig groot leed zoals jezelf.’?
De reden waarom ik groot leed heb
Is dat ik een lichaam heb.
Als ik geen lichaam had, wat voor leed zou ik dan hebben?
Daarom kun je aan iemand die handelen voor zichzelf hoger schat dan handelen ten behoeve van de wereld
De wereld toevertrouwen.
En aan hem, die sober zijnde zichzelf als gelijk beschouwt aan de wereld,
Kun je de wereld overdragen.
14
We kijken ernaar maar we zien het niet;
We noemen die ‘het nietige’.
We luisteren ernaar maar we horen het niet;
We noemen dit ‘het ijle’.
We raken het aan maar we houden het niet vast;
We noemen dit ‘het vlakke en het gladde’.
Deze drie kunnen niet tot het uiterste worden onderzocht.
Zo versmelten zij samen tot één.
‘Eén’ – er is niets omvattender daarboven,
en niets kleiner daarbeneden.
Grenzeloos, vormloos! Het kan niet worden benoemd,
En gaat terug naar de toestand van geen-ding.
Dit heet de vormloze vorm,
Het materieloze beeld.
Dit heet het diepzinnige en het vage.
Volg het en je zult de rug ervan niet zien;
Groet het en je zult het hoofd ervan niet zien.
Houd vast aan de Weg van nu –
Om de dingen van nu aan te pakken,
En het oeroude begin te kennen.
Dit heet het begin van de draad van de Weg.
15
Hij die bekwaam was in het beoefenen van de Weg in de oudheid
Was diepzinnig en onpeilbaar, mysterieus en doordringend wijs.
Zijn diepte kan niet gekend worden
Dat ik daarom, ware ik gedwongen hem te beschrijven, zou zeggen:
Aarzelend was hij! Als iemand die in de winter een rivier oversteekt.
Onzeker was hij! Alsof hij bang was voor zijn buren aan alle vier de kanten.
Plechtig en beleefd was hij! Als een gast.
Verspreid en verstrooid was hij! Als ongesneden hout.
Ondergedompeld, verschillend was hij! Als troebel water.
Breed en uitgestrekt was hij! Als een dal.
Als je troebel water neemt en je laat het stilstaan, wordt het geleidelijk aan helder.
Als je iets tot rust brengt opdat het gaat bewegen, komt het geleidelijk aan tot leven.
Hij die deze Weg handhaaft, begeert niet om vol te worden;
Daarom kan hij slijten zonder de behoefte zich te vernieuwen.
16
Breng leegheid tot haar uiterste grens;
Handhaaf rust in het midden.
De tienduizend dingen – zij aan zij verschijnen zij;
En hierdoor zie ik hun terugkeer.
De dingen komen te voorschijn in groten getale;
Elk keert terug tot zijn wortel.
Dit heet rust.
‘Rust’ – Dit betekent terugkeren naar je bestemming.
Terugkeren naar je bestemming is eeuwig zijn;
Het eeuwige kennen is wijs zijn.
Niet het eeuwige kennen is roekeloos en wild zijn;
Als je roekeloos en wild bent, zullen je handelingen tot tegenspoed leiden.
Het eeuwige kennen is alomvattend zijn;
Alomvattend zijn is onbevooroordeeld zijn;
Onbevooroordeeld zijn is koninklijk zijn;
Koninklijk zijn is als de Hemel zijn;
Als de Hemel zijn is één met de Tao zijn;
Als je één met de Tao bent, zul je tot het einde van je dagen geen kwaad ondervinden.
17
De hoofdstukken 17, 18, en 19 dienen als één geheel te worden gelezen.
Bij de hoogste soort heersers, weten de onderdanen niet anders dan dat ze bestaan.
Bij die een stap lager zijn – beminnen en prijzen zij hen.
Bij die nog een stap lager zijn – vrezen zij hen.
En bij die onderaan zijn – bespotten en beschimpen zij hen.
Wanneer het vertrouwen onvoldoende is, zal er geen wederkerig vertrouwen zijn.
Aarzelend, besluiteloos! Zo is zijn eerbied voor spreken.
Hij volbrengt zijn taken en maakt zijn bezigheden af,
Maar de gewone mensen zeggen: ‘Deze dingen zijn alle van nature gebeurd.’
18
Daarom, wanneer de Grote Weg wordt afgewezen, dan hebben we de deugden van menslievendheid en rechtvaardigheid;
Wanneer kennis en wijsheid verschijnen, dan is er grote schijnheiligheid;
Wanneer de zes relaties niet in harmonie zijn, dan hebben we kinderlijk respect en mededogen;
En wanneer het land in chaos en verwarring is, dan zijn er deugdzame ambtenaren.
19
Ban wijsheid uit, gooi kennis weg,
En het volk zal er honderdvoudig van profiteren.
Ban menslievendheid uit en gooi rechtvaardigheid weg,
En het volk zal terugkeren tot kinderlijk respect en mededogen.
Ban sluwheid uit, gooi winst weg,
Dan zullen we geen rovers en dieven hebben.
Deze drie uitspraken –
Beschouwd als tekst zijn ze nog niet volledig.
Dus we moeten erop letten dat het volgende eraan wordt toegevoegd:
Geef blijk van duidelijkheid en omhels het pure;
Verminder eigenbelang en maak je begeerten gering;
Ban leren uit en maak je geen onnodige zorgen.
20
Overeenstemming en boze afwijzing;
Hoe groot is het verschil daartussen?
Mooi en lelijk;
Wat is dat voor iets – het verschil daartussen ?
Wie gevreesd wordt door anderen,
Moet hierdoor ook andere mensen vrezen.
Wild, teugelloos! Het zal nooit tot een einde komen!
De menigten zijn vredig en gelukkig;
Zoals het beklimmen van een terras in de lente om bij het t’ai-lao offer feest te vieren.
Maar ik ben rustig en stil – nu ik nog geen teken gegeven heb.
Zoals een kind dat nog nooit geglimlacht heeft.
Moe en uitgeput – alsof ik geen plaats heb om naar terug te keren.
De menigten hebben te veel.
Alleen ik schijn gebrek te hebben.
Mijn geest is die van een dwaas – onwetend en dom!
De gewone mensen zien de dingen duidelijk;
Alleen ik bevind me in het duister.
De gewone mensen zijn nauwlettend en brengen fijne onderscheiden aan;
Alleen ik ben beneveld en verward.
Vormloos ben ik! Zoals de zee;
Ongevormd ben ik! Alsof ik niets heb waarin ik tot rust kan komen.
De massa heeft haar redenen tot handelen;
Alleen ik ben dom en stijfkoppig als een boer.
Maar alleen mijn begeerten verschillen van die anderen –
Want ik waardeer het gevoed te worden door de Moeder.
21
De eigenschap van grote deugd volgt alleen uit de Weg.
Wat het wezen van de Weg betreft – dat is ongevormd en vormloos.
Vormloos! Ongevormd! Binnenin zijn er beelden.
Ongevormd! Vormloos! Binnenin zijn er dingen.
Verborgen! Duister! Binnenin zijn er wezenlijkheden.
Deze wezenlijkheden zijn heel echt;
Binnenin hen is het bewijs.
Van het heden terug naar het verleden,
Is zijn naam nooit weggegaan.
Het is hierdoor dat we gehoorzamen aan de vader van de massa der dingen.
Hoe weet ik dat de vader van de massa zo is?
Hierdoor.
22
Voorovergebogen zul je heel blijven;
Wanneer je krom bent, zul je rechtop staan;
Wanneer je hol bent, zul je vol worden;
Wanneer je uitgeput bent, zul je vernieuwd worden;
Wanneer je weinig hebt, zul je veel krijgen;
Met veel zul je in verwarring zijn.
Daarom houdt de Wijze vast aan het Ene en wordt op deze manier herder van de wereld.
Hij pronkt niet met zichzelf; daarom wordt hij beroemd.
Hij loopt niet met zichzelf te koop; daarom straalt hij helder.
Hij pocht niet over zichzelf; daarom verkrijgt hij eer.
Hij hemelt zijn eigen daden niet op; daarom kan hij zich lang handhaven.
Het is slechts omdat hij niet wedijvert, daarom is niemand in staat om met hem te wedijveren.
De zegswijze ‘Voorovergebogen zul je heel blijven’ van de ouden
Was een uitdrukking die daar werkelijk dichtbij kwam!
Waarlijk, ‘heelheid’ zal hem toebehoren.
23
Zelden spreken – zo is de weg van de Natuur.
Felle winden duren niet de hele ochtend;
Stortregens duren niet de hele dag.
Wie maakt deze dingen?
Als zelfs Hemel en Aarde deze niet lang kunnen laten duren –
Hoeveel te meer is dit waar voor de mens?!
Daarom, wie zich wijdt aan de Weg, is één met de Weg;
Wie zich wijdt aan de Deugd, is één met die Deugd;
En wie zich wijdt aan verliezen, is één met dat verlies.
Aan wie één is met Deugd, geeft de Weg ook Deugd;
Terwijl wie één is met zijn verlies, ook door de Weg veronachtzaamd wordt.
24
Wie opschept, maakt geen naam;
Wie pronkt met zichzelf, wordt niet beroemd;
Wie met zichzelf te koop loopt, straalt niet helder;
Wie pocht over zichzelf, krijgt geen eer;
Wie zichzelf ophemelt, zal zich niet lang handhaven.
In de Weg heten deze dingen:
‘Te veel voedsel en overtollige handelingen.’
En wat betreft dingen – er zijn er die deze haten.
Daarom, wie met de Weg is, verblijft niet in hen.
25
Er was iets gevormd uit chaos,
Dat vóór Hemel en Aarde geboren werd.
Rustig en stil! Zuiver en diep!
Het staat op zichzelf en verandert niet.
Het kan beschouwd worden als de moeder van Hemel en Aarde.
Ik ken zijn naam nog niet:
Ik ‘noem’ het ‘de Weg’.
Als ik gedwongen zou worden het een naam te geven, zou ik het ‘het Grote’ noemen.
‘Groot’ betekent ‘weggaan’;
‘Weggaan’ betekent ‘ver weg zijn’;
En ‘ver weg zijn’ betekent ‘terugkomen’.
De Weg is groot;
De Hemel is groot;
De Aarde is groot;
En de koning is ook groot.
In het land zijn vier groten, en de koning bezet één van die plaatsen.
De mens neemt een voorbeeld aan de Aarde;
De Aarde neemt een voorbeeld aan de Hemel;
De Hemel neemt een voorbeeld aan de Weg;
En de Weg neemt een voorbeeld aan dat wat zo van zichzelf is.
26
Het zware is de wortel van het lichte;
Rust is de heer van onrust.
Daarom gaat de edele, elke dag reizend, niet ver van zijn bagagewagens vandaan.
Wanneer hij veilig binnen een ommuurde beschermde herberg is en op zijn gemak uitrust – alleen dan reikt hij uit boven zijn zorgen.
Hoe kan de koning van tienduizend wagens zichzelf lichtvaardiger behandelen dan het hele land?!
Als je de dingen te lichtvaardig beschouwt, verlies je de basis.
Als je onrustig bent, verlies je de ‘heer’.
27
De goede reiziger laat geen spoor achter;
De goede spreker spreekt zonder fout of gebrek;
De goede rekenaar gebruikt geen kerfstok of schijfjes;
De goede sluiter van deuren doet dat zonder slot of grendel, en toch kan de deur niet geopend worden;
De goede binder van knopen knoopt zonder touw of koord, toch kunnen zijn knopen niet ontward worden.
Daarom is de Wijze voortdurend goed in het verlossen van de mensen en wijst hij nooit iemand af;
En wat dingen betreft gooit hij nooit bruikbare goederen weg.
Dit wordt Dubbel Helder genoemd.
Daarom is de goede man de leraar van het goede,
En is de slechte man de ruwe grondstof voor het goede.
Zijn leraar niet waarderen en de ruwe stoffen niet liefhebben – Al had iemand veel kennis, hij zou toch zeer in verwarring zijn.
Dit wordt het Wezen van het Verhevene genoemd.
28
Als je het mannelijke kent en toch vasthoudt aan het vrouwelijke,
Zul je het ravijn van het land zijn.
Als je het ravijn van het land bent,
Zal je eeuwige deugd je niet verlaten.
En als je eeuwige deugd je niet verlaat,
Zul je terugkeren naar de toestand van een pasgeborene.
Als je het zuivere kent en toch vasthoudt aan het vuile,
Zul je het dal van het land zijn.
Als je het dal van het land bent,
Is je eeuwige deugd volmaakt.
En als je eeuwige deugd volmaakt is,
Zul je terugkeren naar de toestand van onbewerkt hout.
Als je het witte kent en toch vasthoudt aan het zwarte,
Zul je het voorbeeld voor het land zijn.
En wanneer je het voorbeeld voor het land bent,
Zal je eeuwige deugd niet op een dwaalspoor raken.
En als je eeuwige deugd niet op een dwaalspoor raakt,
Zul je terugkeren naar de toestand die geen beperkingen kent.
Wanneer onbewerkt hout gezaagd wordt, wordt het veranderd in vaten;
Wanneer de Wijze benut wordt, wordt hij het Hoofd van de Staatsambtenaren.
Waarlijk, heel goed houtsnijden wordt gedaan zonder versplinteren.
29
Wat betreft hen die graag de macht over de wereld willen overnemen en haar willen beïnvloeden –
Ik zie dat ze hiermee eenvoudigweg niet zullen slagen.
De wereld is een heilig vat;
Zij is niet iets dat beïnvloedt kan worden.
Wie haar beïnvloedt, vernietigt haar;
Wie haar vasthoudt, verliest haar.´
Wat dingen betreft – sommige gaan voorwaarts, andere volgen;
Sommige zijn heet, andere geven koude;
Sommige zijn hecht en sterk, andere onderworpen en zwak.
Sommige rijzen op, terwijl andere neervallen.
Daarom is het zo, dat de Wijze:
Het buitengewone, het bovenmatige en het buitensporige verwerpt.
30
Zij die hun heersers bijstaan met de Weg,
Gebruiken geen wapens om geweld in de wereld te plegen.
Zulke daden kaatsen gemakkelijk terug.
Op plaatsen waar legers verblijven, zullen doornstruiken en braamstruiken groeien.
De goede generaal bereikt zijn resultaat en dat is alles;
Hij gebruikt de gelegenheid niet om er kracht aan te ontlenen.
Hij bereikt zijn resultaat maar wordt niet verwaand;
Hij bereikt zijn resultaat maar hemelt zijn daden niet op;
Hij bereikt zijn resultaat en toch pocht hij niet;
Hij bereikt zijn resultaat, toch blijft hij bij het resultaat omdat hij geen keus heeft.
Dit heet je resultaat bereiken zonder geweld te gebruiken.
Als de dingen hun hoogtepunt bereiken, worden ze oud;
Dat noemen we ‘niet de Weg’.
Wat niet de Weg is zal tot een vroeg einde komen.
31
Wat wapens betreft – dat zijn werktuigen die onheil voorspellen.
En onder dingen zijn er die ze haten.
Daarom verblijft wie de Weg bezit niet bij ze.
Als de edele thuis is, eert hij de linkerkant;
Als hij in oorlog is, eert hij de rechterkant.
Daarom zijn wapens niet het werktuig van de edele –
Wapens zijn werktuigen die onheil voorspellen.
Wanneer je geen andere keus hebt dan ze te gebruiken, is het het beste om rustig en kalm te blijven.
Je moet ze nooit zien als voorwerpen van schoonheid.
Als je ze ziet als voorwerpen van schoonheid – is dit behagen scheppen in het doden van mensen.
En als je behagen schept in het doden van mensen, zul je je doel in het land niet verwezenlijken.
Daarom eren we bij blijde gebeurtenissen de linkerkant,
Maar eren we in tijden van rouw de rechterkant.
Daarom staat de luitenant-generaal aan de linkerkant;
En de opperbevelhebber aan de rechterkant.
Dat wil zeggen, ze stellen zich op zoals ze dat zouden doen bij een begrafenis.
Als grote aantallen mensen gedood zijn, staan we voor hen met rouw en verdriet.
Als we zegevieren in de strijd, beschouwen we de gebeurtenissen als een begrafenisceremonie.
32
De Tao is eeuwig naamloos.
Ofschoon hij in zijn natuurlijke staat klein lijkt, durft niemand ter wereld hem als een onderdaan te behandelen.
Als markiezen en koningen in staat waren hem te handhaven,
Dan zouden de tienduizend dingen zich vanzelf aan hem onderwerpen.
En Hemel en Aarde zouden samenwerken om zoete dauw te sturen.
Van nature zou deze in gelijke mate op alle dingen vallen, terwijl niemand onder de mensen beveelt dat dit zo moet zijn.
Zodra we een systeem beginnen te vestigen, hebben we namen.
En zodra er vaste namen zijn,
Moet je ook weten dat het tijd is om te stoppen.
Door te weten hoe te stoppen – op deze wijze zal je geen kwaad overkomen.
De aanwezigheid van de Weg in de wereld
Is als de verhouding tussen kleine stromen in valleien en rivieren en zeeën.
33
Anderen begrijpen is goed op de hoogte zijn;
Jezelf begrijpen is wijs zijn.
Anderen overwinnen is kracht hebben;
Jezelf overwinnen is sterk zijn.
Weten wanneer je genoeg hebt is rijk zijn.
Met kracht voorwaarts gaan is eerzucht hebben.
Je plaats niet verliezen is lang standhouden.
Sterven maar niet vergeten worden – dat is waarlijk lang leven.
34
De Weg drijft en zwalkt;
Hij kan links of rechts gaan.
Hij vervult zijn taken en maakt zijn zaken af, en toch heeft hij hiervoor geen naam gekregen.
De tienduizend dingen vertrouwen hun leven aan hem toe, en toch handelt hij niet als hun meester.
En zo is hij altijd zonder begeerten.
Hij kan genoemd worden bij de dingen die klein zijn.
De tienduizend dingen vertrouwen hun leven aan hem toe, en toch handelt hij niet als hun meester.
Hij kan genoemd worden bij de dingen die groot zijn.
Daarom vloeit de gave van de Wijze om het grote tot stand te brengen
Voort uit zijn weigering de rol van het grote te spelen.
Daarom is hij in staat om het grote tot stand te brengen.
35
Houd vast aan het Grote Beeld en de hele wereld zal tot je komen.
Tot je komen en geen kwaad ondervinden; maar grote veiligheid en vrede kennen.
Muziek en voedsel – hiervoor stoppen passerende reizigers.
Daarom zeggen we over het spreken van de Tao:
Zouteloos is het! Het heeft geen smaak.
Als je ernaar kijkt, is het niet genoeg om gezien te worden;
Als je ernaar luistert, is het niet genoeg om gehoord te worden;
Maar wanneer je het gebruikt, kan het niet opgebruikt worden.
36
Als je het wilt laten krimpen,
Moet je het zeker uitrekken.
Als je het wilt verzwakken,
Moet je het zeker versterken.
Als je het wilt verlaten,
Moet je er zeker nauw mee samenwerken.
Als je er iets van wilt wegrissen,
Moet je het zeker iets geven.
Dit heet het Fijnzinnige Licht.
De nederigen en zwakken overwinnen de sterken.
Vis moet niet uit de diepten worden gehaald;
De scherpe wapens van de staat moeten niet aan het volk worden getoond.
37
De Tao is eeuwig naamloos.
Waren markiezen en koningen in staat hem te handhaven,
Dan zouden de tienduizend dingen vanzelf veranderen.
Als zij veranderd zouden zijn en hun begeerten zouden actief worden,
Dan zou ik ze beteugelen met de naamloze eenvoud.
Als ik ze beteugeld had met de naamloze eenvoud,
Dan zou ik ze niet te schande maken.
Door niet te schande te worden gemaakt, zullen zij rustig zijn.
En Hemel en Aarde zullen vanzelf goed en juist zijn.
38
De hoogste deugd is niet deugdzaam; daarom heeft zij waarlijk deugd.
De laagste deugd verliest nooit het zicht op haar deugd; daarom heeft zij geen ware deugd.
De hoogste deugd handelt niet, toch heeft zij geen reden om zo te handelen;
De hoogste menselijkheid handelt, toch heeft zij geen reden om zo te handelen;
De hoogste rechtschapenheid handelt, en zij heeft haar reden om zo te handelen;
Het hoogste fatsoen handelt, en wanneer iemand hier gehoor aan geeft, dan rolt het dreigend zijn mouwen op en dwingt mensen te gehoorzamen.
Daarom, pas als de Weg verloren is hebben we deugd;
Pas als de deugd verloren is hebben we menselijkheid;
Pas als de menselijkheid verloren is hebben we rechtschapenheid;
En pas als de rechtschapenheid verloren is hebben we fatsoen.
Wat fatsoen betreft, het is slechts de dunne rand van trouw en oprechtheid, en het begin van wanorde.
En voorkennis is slechts de bloem van de Weg, en het begin van dwaasheid.
Daarom, de Grote Man
Verblijft in het dikke en verblijft niet in het dunne;
Verblijft in de vrucht en verblijft niet in de bloem.
Daarom verwerpt hij dat en neemt dit.
39
Over degenen uit het verleden die het Ene bereikten –
De Hemel, het Ene bereikend, werd helder;
De Aarde, het Ene bereikend, werd bestendig;
Goden, het Ene bereikend, werden goddelijk;
Valleien, het Ene bereikend, werden vol;
Markiezen en koningen, het Ene bereikend, maakten het hele land ordelijk en veilig.
Wanneer we dit tot zijn logische conclusie voeren, zouden we zeggen –
Als de Hemel hierdoor niet helder was, zou hij, naar ik vrees, uiteenvallen;
Als de Aarde hierdoor niet bestendig was, zou zij, naar ik vrees, loslaten.
Als de goden hierdoor niet goddelijk waren, zouden zij, naar ik vrees, machteloos zijn.
Als valleien hierdoor niet vol waren, zouden zij, naar ik vrees, verdrogen.
En als markiezen en koningen hierdoor niet nobel en verheven waren, zouden zij, naar ik vrees, vallen.
Daarom moet het zo zijn dat het nobele de basis heeft als zijn oorsprong:
En moet het zo zijn dat het verhevene het lage bezit als zijn fundament.
Dus om deze reden noemen markiezen en koningen zich ‘De Wees’, ‘De Weduwnaar’, en ‘Degene zonder Graan’.
Dit is de basis nemen als oorsprong, nietwaar?!
Daarom beschouwen zij hun grote aantal rijtuigen als geen rijtuig hebben.
En hierom wensen zij niet te schitteren en te blinken als jade, maar om vast en sterk te blijven als steen.
40
‘Omkering’ is de beweging van de Tao:
‘Zwakheid’ is de functie van de Tao.
De dingen van de wereld vinden hun oorsprong in zijn.
En zijn vindt zijn oorsprong in niet-zijn.
41
Als de hoogste soort mensen horen van de Weg, zijn zij met overgave in staat hem te beoefenen;
Als middelmatige mensen horen van de Weg, behouden ze sommige dingen en andere verliezen ze;
Als de laagste soort mensen horen van de Weg, lachen ze er luid om.
Als zij er niet om lachten, zou het niet beschouwd kunnen worden als de Weg.
Daarom is er een gezegde hierover dat luidt:
De lichte Weg lijkt donker te zijn;
De Weg die vooruitgaat lijkt zich terug te trekken;
De vlakke Weg lijkt oneffen te zijn;
De hoogste deugd is leeg als een dal;
Het zuiverste wit lijkt vuil te zijn;
Grote deugd lijkt ontoereikend te zijn;
Hechte deugd lijkt dun en week;
De eenvoudigste werkelijkheid lijkt te veranderen.
Het Grote Vierkant heeft geen hoeken;
Het Grote Vat doet er lang over om voltooid te worden;
De Grote Toon geeft weinig geluid;
Het Grote Beeld heeft geen vorm.
De Weg is Groot maar heeft geen naam.
Alleen de Weg is goed in het dingen beginnen en ook goed in het dingen vervolmaken.
42
De Weg schonk het leven aan het Ene;
Het Ene schonk het leven aan de Twee;
De Twee schonken het leven aan de Drie;
En de Drie schonken het leven aan de tienduizend dingen.
De tienduizend dingen dragen Yin op hun rug en slaan hun armen om Yang heen.
Door het vermengen van ch’i komen zij in een toestand van harmonie.
De dingen die de hele wereld slecht vindt, zijn
Wees of weduwnaar te worden, of geen graan te bezitten.
Toch nemen koningen en hertogen dit als hun naam.
En zo met alle dingen – sommige worden vergroot door weg te nemen;
Terwijl sommige verminderd worden door toe te voegen.
Daarom, wat andere mensen onderwijzen,
Zal ik ook overwegen en dan aan anderen onderwijzen.
Daarom, ‘De sterken en gewelddadigen komen niet natuurlijk aan hun einde.’
Ik zal dit aannemen als de vader van mijn studies.
43
Het zachtste, plooibaarste ter wereld doet wat het wil met het hardste ter wereld.
Wat geen vastheid bezit, kruipt in wat geen ruimten of kieren heeft.
Daarom weet ik dat het van voordeel is om niet te handelen.
De woordeloze lessen, het voordeel van niet handelen –
Weinigen in de wereld kunnen die bereiken!
44
Roem of je lichaam – wat is het dierbaarst?
Je lichaam of bezittingen – wat is het meest waard?
Winst of verlies – waarin schuilt het grootste kwaad?
Als je wensen groot zijn, kan verkwisting niet uitblijven;
Als je veel bewaart, kan groot verlies niet uitblijven.
Daarom, als je tevredenheid kent, zul je niet te schande worden gemaakt.
Als je weet wanneer je moet stoppen, zal je geen kwaad overkomen.
En op deze wijze kun je het heel lang uithouden.
45
Grote voltooiing lijkt onvoltooid;
Toch is haar bruikbaarheid nooit uitgeput.
Grote volheid lijkt leeg te zijn;
Toch is haar bruikbaarheid nooit op.
Grote rechtheid lijkt krom te zijn.
Grote bekwaamheid lijkt onhandig te zijn.
Grote welsprekendheid lijkt te stotteren;
Grote overdaad lijkt gebrek te hebben.
Activiteit overwint koude;
Rust overwint hitte.
Als je stil en rustig bent, kun je de heerser over de wereld worden.
46
Wanneer de wereld de Weg heeft, worden loslopende paarden teruggetrokken om de velden vruchtbaar te maken.
Wanneer de wereld de Weg ontbeert, worden strijdpaarden gefokt in de voorsteden.
Van misdaden – geen is groter dan dingen te bezitten die men begeert;
Van onheil – geen is groter dan niet weten wanneer men genoeg heeft.
Van tekorten – geen brengt meer leed dan de begeerte om te verkrijgen.
Daarom, de tevredenheid die iemand heeft als hij weet dat hij genoeg heeft, is waarlijk blijvende tevredenheid.
47
Het is niet nodig je deur uit te gaan om de hele wereld te kennen;
Het is niet nodig uit je vensters te turen om de Weg van de Hemel te kennen.
Hoe verder je gaat, hoe minder je weet.
Daarom weet de Wijze zonder te gaan,
Benoemt zonder te zien,
En volbrengt zonder iets te doen.
48
Zij die aan hun studie werken worden van dag tot dag groter;
Zij die de Tao gehoord hebben worden van dag tot dag kleiner.
Zij worden kleiner en kleiner, tot ze op het punt komen waar ze niets doen.
Zij doen niets en toch is er niets dat niet gedaan wordt.
Wanneer iemand de macht over de wereld wil hebben, moet hij altijd niet-betrokken zijn bij zaken.
Want in een geval waar hij wel betrokken is bij zaken, zal hij eveneens onwaardig zijn de macht over de wereld op zich te nemen.
49
De Wijze heeft voortdurend geen bestendige geest;
Hij beschouwt de geest van gewone mensen als zijn geest.
Hen die goed zijn, beschouwt hij als goed;
Hen die niet goed zijn, beschouwt hij ook als goed.
Op deze wijze bereikt hij goedheid.
Hen die betrouwbaar zijn vertrouwt hij;
En hen die niet betrouwbaar zijn vertrouwt hij ook.
Op deze wijze krijgt hij hun vertrouwen.
Wat betreft de aanwezigheid van de Wijze in de wereld – hij is één met haar.
De gewone mensen richten allen hun ogen en oren op hem.
En de Wijze behandelt hen allen als zijn kinderen.
50
Wij verschijnen in het leven en gaan terug naar de dood.
Metgezellen van het leven zijn er dertien;
Metgezellen van de dood zijn er dertien;
En toch komen de mensen, omdat ze in al hun handelingen leven als LEVEN beschouwen, tot de dertien die behoren bij het rijk van de dood.
Nu, waarom is dit zo?
Het is omdat ze leven als LEVEN beschouwen.
Ongetwijfeld heb je gehoord over hen goed zijn in het vasthouden aan het leven:
Als zij door de heuvels lopen, gaan zij neushoorns en tijgers niet uit de weg;
Als zij in gevecht raken, gebruiken zij geen wapens of schilden;
De neushoorn vindt geen plaats waar hij met zijn hoorn in door kan dringen;
De tijger vindt geen plaats waar hij zijn klauwen in kan slaan.
En wapens vinden geen plaats waar hun klingen houvast hebben.
Nu, waarom is dit zo?
Omdat er geen plaats voor de dood is in hen.
51
De Weg schenkt hun het leven en de Deugd voedt hen;
De stof geeft hun vorm en hun unieke vermogens vervolmaken hen.
Daarom vereren de tienduizend dingen de Weg en achten de Deugd.
Wat betreft hun verering van de Weg en hun achting voor de Deugd –
Niemand beloont hen ervoor; het is altijd vanuit zichzelf zo.
De Weg schenkt hun het leven, voedt hen, doet hen rijpen, vervolmaakt hen, geeft hun rust, brengt hen groot, steunt hen en beschermt hen.
Hij schenkt hun leven maar probeert niet hen te bezitten;
Hij handelt uit naam van hen maar maakt hen niet afhankelijk;
Hij doet hen rijpen maar beheerst hen niet.
Dit noemen we Diepe Deugd.
52
De wereld had een oorsprong,
Die beschouwd kan worden als de moeder van de wereld.
Wanneer je de moeder bereikt, teneinde haar kinderen te kennen,
Wanneer je naar de moeder terugkeert en aan haar vasthoudt, zul je tot aan het eind van je leven geen kwaad ondervinden.
Stop de openingen dicht;
Sluit de deuren;
En tot het eind van je leven zul je niet zwoegen.
Ontsluit de openingen;
Meng je in zaken;
En tot het eind van je leven zul je niet gered worden.
Het kleine waarnemen wordt ‘onderscheidingsvermogen’ genoemd.
Vasthouden aan het buigzame wordt ‘kracht’ genoemd.
Als je de stralen gebruikt om terug te keren naar het heldere licht,
Zul je je leven niet aan gevaar blootstellen.
Dit wordt het Volgen van het Eeuwige genoemd.
53
Als ik ook maar het kleinste beetje kennis bezat, bij het lopen over een Grote Weg, zou ik slechts bang zijn om te verdwalen.
De Grote Weg is erg vlak;
Maar mensen scheppen een groot behagen in kronkelpaden.
De hoven zijn zeer schoon geveegd;
Terwijl de velden vol onkruid staan;
En de graanschuren helemaal leeg zijn.
Hun kleding – rijk geborduurd en gekleurd;
Terwijl ze scherpe zwaarden aan hun middel dragen.
Zij zwelgen in het voedsel, en zij hebben een overvloed aan bezittingen en goederen.
Dit wordt diefstal genoemd!
En diefstal is zeker niet de Weg!
54
Wat stevig is opgezet kan niet omvergeworpen worden;
Wat stevig omhelsd wordt kan niet loslaten.
En je zonen en kleinzonen zullen, als gevolg daarvan, eindeloos offers brengen.
Wanneer je haar in jezelf veredelt, dan zal je deugd waarachtig zijn;
Wanneer je haar in je familie veredelt, dan zal je deugd overstromen;
Wanneer je haar in je dorp veredelt, dan zal je deugd langdurig zijn;
Wanneer je haar in je staat veredelt, dan zal je deugd overvloedig zijn;
Wanneer je haar over de hele wereld veredelt, dan zal je deugd wijdverspreid zijn.
Gebruik het individu om het individu te onderzoeken;
Gebruik de familie om de familie te onderzoeken;
Gebruik het dorp om het dorp te onderzoeken;
Gebruik de staat om de staat te onderzoeken;
En gebruik de wereld om de wereld te onderzoeken;
Hoe weet ik dat de wereld zo is?
Door dit.
55
Hij die de volheid van de Deugd omhelst,
Kan vergeleken worden met een pasgeboren baby.
Wespen en schorpioenen, slangen en adders steken hem niet;
Roofvogels en wilde beesten grijpen hem niet;
Zijn botten en spieren zijn zacht en plooibaar, toch is zijn greep stevig;
Hij weet nog niet van de ontmoeting tussen man en vrouw, toch wordt zijn orgaan geprikkeld-
Dit komt omdat zijn wezen op het hoogtepunt is.
Hij kan de hele dag krijsen, toch zal hij niet hees worden –
Dit komt omdat zijn harmonie op haar hoogtepunt is.
Harmonie kennen wordt ‘het eeuwige’ genoemd;
Het eeuwige kennen wordt ‘wijs zijn’ genoemd;
Toevoegen aan het leven wordt een ‘slecht voorteken’ genoemd;
Om de geest de ademhaling te laten beheersen – dat wordt ‘dingen forceren’ genoemd.
Als dingen hun hoogste volmaaktheid bereiken worden ze oud;
Dit wordt ‘niet de Weg’ genoemd.
Wat niet de Weg is zal vroeg aan zijn einde komen.
56
Zij die weten spreken er niet over; zij die spreken weten het niet.
Hij stopt zijn openingen dicht,
Sluit zijn deuren,
Dempt het heldere licht,
Laat het stof neerdalen,
Vijlt de scherpe kanten af,
En ontwart de knopen.
Dit wordt de Diepe Verbintenis genoemd.
Daarom, er is geen manier om vertrouwelijk met hem te worden,
Maar er is ook geen manier om hem te mijden.
Er is geen manier die hem goed doet,
Maar er is ook geen manier die hem kwaad doet.
Er is geen manier om hem te verlagen.
Juist om deze reden is hij het nobelste schepsel ter wereld.
57
Gebruik het oprechte en het juiste om het rijk in te richten;
Gebruik overrompelingstactieken als je troepen gebruikt;
Gebruik onverschilligheid in staatszaken om de wereld te leiden.
Hoe weet ik dat dit zo is?
Welnu, hoe meer taboes en verboden er in de wereld zijn, des te armer zal het volk zijn;
Hoe meer scherpe wapens het volk bezit, des te verwarder zullen de staten zijn;
Hoe meer kennis en bekwaamheid het volk bezit, des te meer ongebruikelijke dingen zullen er verschijnen;
Hoe meer wettelijke kwesties op de voorgrond treden, des te meer rovers en dieven zullen er zijn.
Daarom luiden de woorden van de Wijze:
Ik doe niets, en het volk wordt vanzelf getransformeerd;
Ik houd van rust, en het volk is vanzelf oprecht;
Ik ben onverschillig in staatszaken, en het volk wordt vanzelf rijk.
Ik begeer niet te begeren, en het volk is vanzelf echt en eenvoudig, als onbewerkt hout.
58
Wanneer de regering verward en wanordelijk is,
Is het volk oprecht en eerlijk.
Wanneer de regering nauwlettend en duidelijk is,
Is de staat slinks en sluw.
Onheil, daar hangt geluk van af.
Geluk, daarin zit onheil verscholen.
Wie weet waar het zal eindigen?
Want er is geen vaststaand ‘wat hoort’.
‘Wat hoort’ verandert in ‘wat afwijkt’;
En ‘goed’ verandert in ‘kwaad’.
De verwarring van de mensen
Bestaat stellig al lang.
Daarom, doe recht maar kwets niet;
Wees scherp maar steek niet;
Wees rechtstreeks maar niet ongeremd;
Wees stralend maar verblind niet.
59
Om de mensheid te besturen en de Hemel te dienen is niets zo goed als soberheid.
Want alleen als je sober bent kun je je daarom vroegtijdig aan de Weg overgeven.
Vroegtijdige overgave – dit heet telkens opnieuw Deugd vergaren.
Wanneer je telkens opnieuw Deugd vergaart, dan is er niets dat je niet kunt overwinnen.
Wanneer er niets is dat je niet kunt overwinnen, weet niemand waar het zal eindigen.
Wanneer niemand weet waar het zal eindigen, kun je de staat bezitten.
En wanneer je de moeder van de staat bezit, kun je het heel lang volhouden.
Dit heet diepe wortels en een stevig draagvlak hebben.
Het is de Weg van lang leven en langdurig inzicht.
60
Een grote staat besturen is als het koken van een kleine vis.
Wanneer je de Weg gebruikt om de wereld te regeren, zullen boze geesten geen goddelijke kracht hebben.
In feite is het niet zo dat de boze geesten geen goddelijke kracht hebben,
Het is dat hun kracht de mensen geen kwaad zal doen.
Maar het is niet alleen dat hun kracht de mensen geen kwaad zal doen,
Ook de Wijze zal hun geen kwaad doen.
Aangezien deze twee anderen geen kwaad doen,
Daarom vloeien hun Deugden ineen en keren terug naar hen.
61
Een grote staat is als de benedenstroom van een rivier;
Hij is het vrouwelijke van de wereld;
Hij is het ontmoetingspunt van de wereld.
Het vrouwelijke zegeviert steeds over het mannelijke door kalmte.
Omdat zij kalm is, daarom is het juist dat zij onder is.
De grote staat – als hij beneden de kleine staat is, dan neemt hij de kleine staat over;
De kleine staat – als hij beneden de grote staat is, dan wordt hij door de grote staat overgenomen.
Daarom nemen sommige over door laag te zijn,
En worden andere overgenomen omdat zij laag zijn.
Daarom begeert de grote staat slechts andere te verenigen en groot te brengen;
Terwijl de kleine staat slechts begeert andere binnen te gaan en te dienen.
Als beide krijgen wat zij wensen,
Dan is het juist dat de grote staat onder is.
62
De Weg is dat waar alle dingen naartoe stromen.
Het is de schat van de goede mens,
En dat wat de slechte beschermt.
Mooie woorden kunnen worden gekocht en verkocht;
Eervolle daden kunnen aan anderen ten geschenke worden gegeven;
Zelfs met dingen die de mensen als niet goed beschouwen – zullen deze worden afgewezen?
Daarom, wanneer de Zoon des Hemels de troon bestijgt, of de drie Ministers geïnstalleerd worden,
Ook al zou je hen kunnen verwelkomen met schijven van jade, voorafgegaan door vierspannen,
Dat is niet zo goed als stilzitten en dit aanbieden.
De reden waarom de ouden dit waardeerden – wat was deze?
Zeiden zij niet: ‘Zij die zoeken, zullen hiermee verkrijgen, en zij die overtredingen plegen, zullen hiermee ontsnappen’?!
Daarom is het het kostbaarste ding ter wereld.
63
Handel zonder te handelen;
Dien zonder zorgen over omstandigheden;
Vind smaak in wat geen smaak heeft.
Beschouw het kleine als groot en het weinige als veel,
En beantwoord boosheid met vriendelijkheid.
Smeed plannen voor het moeilijke zolang het makkelijk is;
Werk aan het grote zolang het nietig is.
De moeilijkste dingen ter wereld beginnen als dingen die gemakkelijk zijn;
De grootste dingen ter wereld ontstaan uit het nietige.
Daarom streeft de Wijze er tot het einde niet naar het grote te doen,
En als gevolg daarvan is hij in staat het grote tot stand te brengen;
Zij die gemakkelijk instemmen zullen onvermijdelijk door weinigen worden vertrouwd;
En zij die veel dingen als gemakkelijk beschouwen zullen onvermijdelijk met veel moeilijkheden eindigen.
Daarom beschouwt zelfs de Wijze dingen als moeilijk,
En als gevolg daarvan heeft hij uiteindelijk geen probleem.
64
Wat in rust is, is gemakkelijk vast te houden;
Op wat nog geen teken heeft gegeven kun je je gemakkelijk voorbereiden;
Het broze is gemakkelijk te versplinteren;
Het nietige is gemakkelijk te verstrooien;
Werk eraan voordat het ontstaat;
Orden het voordat het in chaos verkeert.
Een boom zo groot dat men beide armen nodig heeft om hem te omvatten, begint het leven als het nietigste stekje;
Een terras met negen niveaus ontstaat uit een mand vol modder.
Een hoge plek van honderd, duizend voet hoog begint onder je voeten.
Zij die eraan werken, verwoesten het;
Zij die eraan vasthouden, verliezen het.
Daarom handelt de Wijze niet,
En als gevolg hiervan verwoest hij geen dingen;
Hij houdt niet vast aan dingen,
En als gevolg hiervan verliest hij geen dingen;
In de omgang met zaken, verwoesten de mensen altijd dingen juist op het moment van vervolmaking.
Daarom zeggen we: ‘Als je aan het eind even voorzichtig bent als aan het begin, zul je geen mislukking kennen.’
Daarom begeert de Wijze niet te begeren, en hecht geen waarde aan goederen die moeilijk te verkrijgen zijn;
Hij leert niet te leren en keert terug naar wat aan de massa voorbijgaat;
Hij zou alle dingen kunnen helpen om natuurlijk te zijn, toch durft hij dat niet te doen.
65
Zij die de Weg beoefenden in de oudheid,
Gebruikten hem niet om de mensen te verlichten.
Zij gebruikten hem eerder om hen dom te houden.
De reden nu waarom de mensen moeilijk te regeren zijn, is hun kennis;
Hieruit volgt: kennis gebruiken om de staat te regeren
Is diefstal van de staat;
Onwetendheid gebruiken om de staat te regeren
Is vriendelijkheid voor de staat.
Iemand die deze twee altijd begrijpt,
Begrijpt ook het principe.
Altijd het principe te begrijpen –
Dit heet Diepe Deugd.
Diepe Deugd is diepgaand en verreikend,
En samen met dingen keert zij terug.
Zodoende komen wij tot de Grote Harmonie.
66
De reden waarom rivieren en zeeën in staat zijn de koningen van de honderd valleien te zijn, is dat zij uitblinken in het beneden hen staan.
Om deze reden zijn zij in staat de koningen van de honderd valleien te zijn.
Daarom moet de Wijze, in zijn wens boven het volk te staan,
In zijn uitspraken beneden hen staan.
En in zijn wens om voor het volk te staan,
Moet hij in eigen persoon achter hen staan.
Zo staat hij bovenaan, toch beschouwt het volk hem niet als zwaar;
En staat hij vooraan, toch ziet het volk hem niet als een bedreiging.
De hele wereld schept behagen in zijn glorie en kan nooit genoeg van hem krijgen.
Is het niet omdat hij niet strijdlustig is,
Dat dientengevolge niemand in de wereld met hem kan strijden?!
67
Hoofdstukken 67, 68 en 69 dienen als één geheel gelezen te worden.
De hele wereld zegt: Ik ben Groot;
Groot, maar toch anders dan alle anderen.
Maar het is juist omdat ik anders ben dan alle anderen, dat ik daarom in staat ben Groot te zijn.
Als ik hetzelfde was als alle anderen, zou ik nu allang onbelangrijk en klein blijken te zijn.
Ik heb altijd drie schatten:
Houd ze vast en bewaar ze.
De eerste is mededogen;
De tweede is soberheid;
En de derde is mij niet aan te matigen vooraan in de wereld te staan.
Welnu, omdat ik mededogend ben, daarom kan ik moedig zijn;
En omdat ik sober ben, daarom kan ik onbaatzuchtig zijn;
En omdat ik me niet aanmatig dat ik vooraan in de wereld sta, daarom kan ik aan het hoofd staan van hen die volmaakte begaafdheid bezitten.
Welnu, als je afstand doet van mededogen en toch probeert moedig te zijn,
Welnu, als je afstand doet van deze soberheid en toch probeert onbaatzuchtig te zijn,
En als je afstand doet van dit achterblijven en toch naar voren gaat,
Dan zul je sterven.
Als je met mededogen aanvalt, zul je winnen;
Als je verdedigt, dan zul je stevig staan.
Als de Hemel zover is om hem te vestigen,
Is het alsof hij hem omgeeft met de beschermende muur van mededogen.
68
Daarom maakt wie goed is als strijder geen vertoning van zijn macht;
Wie goed is in de strijd wordt niet kwaad;
Wie goed is in het overwinnen van de vijand, gaat geen strijd met hem aan.
En wie goed is in het benutten van mensen, plaatst zichzelf onder hen.
Dit heet de deugd van het niet-wedijveren;
Dit heet op de juiste manier mensen benutten;
Dit heet overeenstemmen met de Hemel.
Het is het hoogtepunt van het verleden.
69
Zij die wapens gebruiken, hebben een gezegde dat luidt:
‘Ik matig mij niet aan te handelen als de gastheer, en speel in plaats daarvan de rol van de gast;
Ik ga geen duim naar voren, maar trek me liever een voet terug.’
Dit heet vooruit gaan zonder vooruit te gaan –
Je mouwen oprollen zonder je armen te ontbloten –
Stevig vasthouden zonder een wapen vast te houden –
En overhalen tot strijd wanneer er geen tegenstander is.
Over onheil gesproken, geen is groter dan denken dat je geen rivaal hebt.
Denken dat je geen rivaal hebt, is dicht bij het verliezen van mijn schatten komen.
Daarom, als de wapens worden opgenomen en de tegenstanders redelijk tegen elkaar opwegen,
Dan is het hij die smart voelt die zal winnen.
70
Mijn woorden zijn gemakkelijk te begrijpen,
En gemakkelijk in praktijk te brengen.
Toch kan niemand ter wereld ze begrijpen,
En kan niemand ze in praktijk brengen.
Nu hebben mijn woorden een stamvader, en mijn daden een meester,
En het komt gewoon omdat de mensen geen kennis van hen hebben, dat ze me daarom niet begrijpen.
Maar wanneer zij die mij begrijpen in de minderheid zijn, ben ik van grote waarde.
Daarom draagt de Wijze een ruw wollen kleed, maar daaronder houdt hij vast aan jade.
71
Weten dat je niet weet is het beste.
Niet weten dat je niet weet is een smet.
Daarom komt het niet besmet zijn van de Wijze
Voort uit zijn herkenning van een smet als een smet.
Daarom is hij smetteloos.
72
Wanneer het volk geen ontzag heeft voor hen die regeren, dan kan dat waar ze ontzettend bang voor zijn, ieder moment in aantocht zijn.
Verminder niet de grootte van de plaatsen waar ze wonen;
Onderdruk hen niet in hun middelen van bestaan.
Het komt gewoon doordat je hen niet onderdrukt, dat ze het daarom niet beu zullen zijn.
Daarom kent de Wijze zichzelf, maar laat hij zichzelf niet zien;
Hij verzorgt zichzelf maar hecht geen waarde aan zichzelf.
Om deze reden verwerpt hij dat en neemt dit.
73
Wanneer je dapper bent in het vermetel zijn, zul je worden gedood;
Wanneer je dapper bent in het niet vermetel zijn, zul je blijven leven.
Met deze twee dingen is er in het ene geval voordeel, in het andere geval nadeel.
De dingen waar de Hemel een hekel aan heeft – wie weet waarom?
De Weg van de Hemel is niet te vechten en toch goed te zijn in winnen –
Niet te spreken en toch bekwaam te antwoorden –
Niemand roept het op en toch komt het vanzelf –
Je op je gemak voelen en je toch zorgvuldig voorbereiden.
Het web van de Hemel is groot en onmetelijk;
Zijn mazen mogen grof zijn maar toch slipt er niets doorheen.
74
Als het volk onveranderlijk was in zijn gedrag en toch niet bang was voor de dood,
Hoe zou je executies kunnen gebruiken om het bang te maken?
Als je zou bewerkstelligen dat het volk onveranderlijk was in zijn gedrag en bovendien de dood vreesde, en wij zouden hen die zich abnormaal gedragen nemen en hen doden – wie zou op deze wijze durven handelen?!
Als het volk onveranderlijk is en bovendien noodzakelijkerwijs de dood vreest, dan hebben we voortdurend iemand die verantwoordelijk is voor executies.
Nu, het volk doden in plaats van dat te laten doen door degene die verantwoordelijk is voor executies, is als hout kappen in plaats van dat te laten doen door de meester-timmerman.
En van degenen die hout kappen in plaats van dat te laten doen door de meester-timmerman, verwonden slechts weinigen hun handen niet!
75
De reden waarom mensen honger lijden,
Is omdat zij zoveel belasting op graan heffen.
Daarom lijden zij honger.
De reden waarom het gewone volk niet geregeerd kan worden,
Is dat zijn superieuren hun redenen hebben om te handelen.
Daarom kan het niet geregeerd worden.
De reden waarom mensen de dood licht opvatten,
Is dat zij zo gretig naar het leven zoeken.
Daarom vatten zij de dood licht op.
Alleen zij die niet handelen omwille van het leven –
Alleen dezen zijn de meerderen van hen die waarde aan het leven hechten.
76
Wanneer mensen worden geboren, zijn ze soepel en zacht;
Wanneer ze doodgaan, liggen ze uiteindelijk hard en onbuigzaam;
Wanneer de tienduizend dingen en het gras en de bomen leven, zijn ze soepel en plooibaar;
Wanneer ze dood zijn, zijn ze verschrompeld en uitgedroogd.
Daarom zeggen we dat het harde en onbuigzame metgezellen zijn van de dood,
En het soepele, het zachte, het weke en het tere metgezellen van het leven.
Als een soldaat onbuigzaam is, zal hij niet winnen;
Als een boom onbuigzaam is, komt hij aan zijn eind.
Onbuigzaamheid en macht nemen de laagste positie in;
Soepelheid, zachtheid, weekheid en teerheid nemen de hoogste positie in.
77
De Weg van de Hemel is als het buigen van een boog.
Het hoge drukt hij naar beneden; het lage laat hij naar boven komen.
Van hen met overvloed neemt hij weg; aan hen die onvoldoende hebben voegt hij toe.
Daarom is de Weg van de Hemel –
Het overdadige kleiner maken, en dat wat te weinig is groter maken;
De Weg van de Mens is –
Wat weinig is kleiner maken, en meer geven aan het overdadige.
Welnu, wie is in staat om een overvloed te hebben en deze te gebruiken om aan de Hemel te schenken?
Duidelijk, dat is alleen hij die de Weg bezit.
Daarom is het zo dat de Wijze –
Handelt, maar hen niet bezit;
Zijn taken volbrengt, maar er niet bij blijft stilstaan.
Zo is zijn wens om geen vertoning van zijn waardigheid te maken.
78
In de hele wereld is er niets zachter en zwakker dan water.
En toch, om het harde en sterke aan te vallen, kan niets het verslaan,
Omdat er niets anders is dat je in plaats ervan kunt gebruiken.
Dat water het onbuigzame kan overwinnen –
Dat het zwakke het sterke kan overwinnen –
Er is niemand in de hele wereld die dat niet weet,
En toch is er niemand die het in praktijk kan brengen.
Om deze reden luiden de woorden van de Wijze:
De schande van de staat op je nemen – dit heet heer zijn over de altaren voor aarde en graan;
De verantwoordelijkheid voor alle onheilspellende gebeurtenissen in de staat op je nemen – dit heet de koning van de wereld zijn.
Juiste woorden lijken het tegendeel te betekenen van wat je verwacht dat ze betekenen.
79
Vrede stichten daar waar veel haat is geweest, dan blijft er zeker haat resteren.
Hoe zou men dit als goed kunnen beschouwen?
Daarom behoudt de Wijze de rechterhelft van het contract, maar stelt geen eisen aan anderen.
Om deze reden zijn zij die deugd hebben verantwoordelijk voor het contract;
Degenen zonder deugd zijn verantwoordelijk voor de belastingen.
De Weg van de Hemel heeft geen uitverkorenen,
Hij is altijd met de goede mens.
80
Laat het land klein zijn en het volk met weinigen –
Zorg dat er wapens zijn voor ‘tientallen’ en ‘honderden’, maar laat niemand ze gebruiken;
Laat het volk de dood als gewichtig beschouwen en laat het verhuizing ver van zijn gedachten houden.
Ook al hebben ze wellicht boten en rijtuigen, niemand zal er gebruik van maken;
Ook al hebben ze wellicht wapenrustingen en speren, niemand zal ze tonen.
Laat het volk terugkeren naar het knopen van touwen en deze gebruiken.
Zij zullen genieten van hun voedsel,
Hun kleding als prachtig beschouwen,
Behagen scheppen in hun gewoonten,
En zich veilig voelen en geborgen voelen in hun huizen.
Naburige staten zullen elkaar wellicht vergeten,
En de geluiden van kippen en honden zullen wellicht toevallig gehoord worden,
Maar het volk zal oud worden en doodgaan zonder verkeer tussen hen.
81
Oprechte woorden zijn niet opvallend;
Opvallende woorden zijn niet oprecht.
Zij die weten zijn niet ‘zeergeleerd’;
Zij die ‘zeergeleerd’ zijn weten niet.
De goeden hebben niet veel;
Zij die veel hebben zijn niet goed.
De Wijze vergaart niets.
Door wat hij had te gebruiken voor anderen,
Heeft hij nog meer.
Door anderen te geven wat hij bezat,
Is wat hij bezit nog groter.
Daarom: de Weg van de Hemel is goed doen en geen kwaad veroorzaken;
De Weg van de Mens is handelen voor anderen en niet met hen wedijveren.